Ratten, muizen en andere knagers
„Eentje dan, maar dat is echt het uiterste!"
had Merels moeder
gezegd toen Merel met de kartonnen doos aankwam waar
Doortje
met krassende pootjes in heen en weer scharrelde.
Eigenlijk mocht Merel geen muis. Daar hadden ze het toch
uitge-
breid over gehad, zei haar moeder. Maar Doortje was zo lief, met
die
zachte witte haartjes en dat friemelende neusje, dat Merel
het
gewoon had gedaan.
Van haar vriendinnetje, die wel tien muizen
had, kreeg ze Doortje.
Met een kartonnen doos erbij en een stukje kaas voor
onderweg.
Voorzichtig liep Merel met de doos naar huis. „Ze blijft bij mij!"
zei
ze telkens, om vast te oefenen voor thuis. En als het niet mocht,
dan
zou er iets heel ergs gebeuren, al wist Merel nog niet precies
wat.
Maar het mocht. Snel, voor haar moeder andere ideeën zou
krijgen,
bracht Merel Doortje naar haar kamer.
Dat was een week geleden. En nu heeft Merel
een probleem. Een
groot probleem, want Doortje is weg. Sinds gisteravond al. Toen
had
ze Doortje over haar bed laten lopen. Merel had de kartonnen
doos
op zijn kant op haar bed gezet en eerst had Doortje een hele
tijd
doodstil gezeten. Met haar koppie net buiten de rand van de
doos.
Haar oogjes een beetje dichtgeknepen en haar roze neusje
snuffe-
lend heen en weer. Eindelijk begon Doortje voorzichtig van de
doos
weg te lopen. Een klein wit bolletje op een deken als een
voetbal-
veld. Merel kon Doortjes kriebelende pootjes erdoorheen
voelen.
Snuffelend scharrelde Doortje rond, tot ze vlak bij Merel
kwam.
Even stond ze stil. Toen kwam ze opeens op haar achterpoten
over-
eind, zodat Doortjes snuitje vlak bij Merels gezicht was.
Een beetje verbaasd keken ze elkaar aan.
„Dag Doortje," zei Merel en aaide met haar vinger zachtjes over
Doortjes vachtje. Het voelde warm aan.
Maar toen Merel even later haar tanden ging
poetsen, was Doortje
opeens weg, ook al had Merel bijna de hele tijd in de spiegel
geke-
ken of het goed ging.
Als ze het aan haar moeder gaat vertellen,
begint die natuurlijk weer
te zeuren. Dus moet Merel het zelf oplossen. Merels vriendin
heeft
gezegd dat muizen zich wel vaker verstoppen.
„Doortje zal wel ergens in een warm hoekje zitten," zei ze. „Maar
als
ze goed te eten van je krijgt komt ze wel bij je terug."
„Doortje, Doortje," roept Merel, zachtjes. Ze kijkt onder haar
deken,
helemaal tot aan het eind waar ze zelf nooit komt. Geen
Doortje.
Onder de kast, in de lade met sokken. „Doortje, Doortje, kom
dan."
Peinzend kijkt Merel haar kamer rond. Ze kan niet weg zijn,
dat
weet ze gewoon, want Doortje krijgt van haar het lekkerste dat er
is
voor muizen. Kaas natuurlijk en als niemand kijkt de mooiste
stuk-
jes uit de vleeswarendoos.
Merel ploft in de stoel bij haar bureau om
eens stevig na te denken.
Een muziekje erbij. Ze loopt naar het stopcontact om de stekker
van
de radio erin te doen, maar wanneer ze die van de grond pakt
houdt
ze een afgebroken stuk draad in haar handen. Ook dat nog.
Nijdig
haalt ze een stapeltje boeken naar voren uit de boekenkast waar
de
draad achterlangs loopt. En nog een stapeltje. En dan ziet ze
het.
Even blijft ze er stil naar kijken. Op de plek waar ze de boeken
heeft
weggehaald ligt een bergje papiersnippers. En een rijtje boeken
dat
nog in de kast staat is aan de achterkant niet meer recht zoals
boeken
horen, maar rond, als een halve maan. Die halve maan is een
holle-
tje. Het snoer van de radio, dat in de weg zat, is doorgeknaagd.
En
in het halve maanholletje is van papiersnippers een bedje
gemaakt.
Daarop ligt Doortje, lekker te slapen.
„Krijg nou wat," mompelt Merel.
Verstopt in Doortjes zachte witte haartjes
liggen één, twee, drie...
zès wriemelende kleine beestjes.
„Ik heb jonkies!" roept Merel. Dan doet ze
snel haar hand voor haar
mond en kijkt naar de deur. Voorzichtig loopt ze ernaartoe,
doet
hem op een kier en kijkt op de gang. Niemand. Ze doet de deur